Bijdrage André Rouvoet plenair oprichting van het college voor de rechten van de mens

dinsdag 29 maart 2011 15:00

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Ik vraag mij altijd af hoe het overkomt bij mensen die een debat volgen, als er zeven mensen in de zaal zitten en de voorzitter zegt dat er geen berichten van verhindering zijn. Maar wij begrijpen wat u bedoelt.

            Wij voeren een debat over het wetsvoorstel over het oprichten van het College voor de rechten van de mens. Ik spreek allereerst mijn waardering uit voor de inspanning om te komen tot dit wetsvoorstel. Wij hechten als fractie ook veel belang aan een effectieve mensenrechtenbescherming en aandacht daarvoor. Zeker in tijden waarin mensenrechten en eerbiediging van mensenrechten in heel veel landen ter discussie staat, is een actief mensenrechtenbeleid niet alleen in het buitenland, maar ook in eigen land van groot belang. De fractie van de ChristenUnie onderschrijft dan ook de wenselijkheid van de oprichting van een instantie die voor Nederland gaat functioneren als nationaal instituut voor de rechten van de mens.

            Het is misschien aardig om te wijzen op de datum die in het wetsvoorstel wordt genoemd. De datum van de officiële pledge door Nederland, waarin de oprichting van dit nationale instituut werd aangekondigd, is 23 februari 2007. Dat is een dag die ik mij nog uitstekend herinner, niet alleen omdat het de verjaardag van mijn echtgenote was, maar ook omdat het de eerste dag was van het aantreden van het vorige kabinet. Zo kunt u zien hoeveel belang er ook door de toenmalige coalitiepartijen werd gehecht aan de aankondiging en oprichting van dit instituut.

            Met de instelling van zo'n onafhankelijk nationaal college ontstaat samenhang en is er een centraal aanspreekpunt voor Nederlandse en ook internationale organisaties op dit terrein.

 

Bovendien komt Nederland met dit wetsvoorstel de toezegging aan de Verenigde Naties en de Raad van Europa na om een nationaal mensenrechteninstituut op te richten. Het is van belang dat wij die toezegging nakomen. Ik verwees al naar de pledge van februari 2007.

            Daarmee komt Nederland ook in aanmerking voor de hoogste status op het gebied van mensenrechten, de A-status. Ik maak daar wel een opmerking bij, ook kennisgenomen hebbend van de stukken en de beantwoording van de vragen. Als wij het accent, de nadruk leggen op het belang van die A-status, in de zin ook dat dit de reden is om het instituut op te richten, dan kan maar zo het idee ontstaan dat het een formele voorwaarde is om die A-status te behalen. Mij dunkt dat wij met elkaar toch meer willen. Het is niet alleen een formele voorwaarde om de A-status te verkrijgen waarbij wordt voldaan aan de Paris Principles. Het zou in dat licht goed zijn als de minister materieel aangaf waarom het belangrijk is dat wij dat instituut hebben. Met andere woorden: wat willen wij er nu mee? Ik hoor dat graat uiteengezet door de minister in het licht van mijn vraagstelling.

            Wij onderschrijven de uitgangspunten van het wetsvoorstel. Wel hebben wij een aantal kritische vragen over de interne inrichting van het nieuwe college. Ook schriftelijk hebben wij er al vragen over gesteld en er resteert nog wel een enkel punt waaraan ik in dit debat aandacht zou willen geven. Het is van belang dat het college een duidelijke toegevoegde waarde heeft binnen het Nederlandse systeem van instituties. Ik verwacht ook dat de minister nader zal aangeven hoe dat gewaarborgd kan worden.

            In artikel 1, lid 3, staat dat de nieuwe organisatie tot doel heeft de rechten van de mens, waaronder het recht op gelijke behandeling, in Nederland te beschermen en de naleving daarvan te bevorderen. De stukken nog eens goed lezend, waaronder het verslag, komt de vraag naar voren of wij nu echt te maken hebben met een nieuwe organisatie op het bredere terrein van de mensenrechten of met vooral de Commissie Gelijke Behandeling die hierin opgaat -- ik begrijp en erken die argumentatie -- maar dan met een breder mandaat. Gelet op de formulering van de doelstelling ligt er toch een zwaar accent op de gelijke behandeling. Ik zou het op prijs stellen als de minister daaraan nog eens een beschouwing wijdde. Ik zou namelijk wel weg willen blijven van het idee dat onder een nieuwe naam en deels met een nieuw jasje wij te maken hebben met de Commissie Gelijke Behandeling, waar veel goeds over te zeggen valt maar waar ook kritische opmerkingen over te maken zijn wat mij betreft, en die als extra taak nog een paar andere grondrechten of mensenrechten erbij krijgt. Die indruk wordt in de stukken hier en daar wel gewekt. Ik zou het zeer op prijs stellen als de minister die indruk kon wegnemen. Dat is voor mijn fractie van belang. Er is de Commissie Gelijke Behandeling, die ooit is ingesteld in het kader van de Algemene wet gelijke behandeling. Nogmaals, het gaat hierbij niet om een evaluatie van het functioneren van die commissie, maar als we een nieuw college voor de rechten van de mens oprichten, dan moet het ook een college voor de rechten van de mens zijn en niet een college voor gelijke behandeling die zich ook nog bezighoudt met aantal andere mensenrechten. Ik vind dat er in de stukken zelf, zoals de memorie van toelichting, relatief weinig aandacht aan die andere mensenrechten wordt gegeven en dat er wel heel erg wordt ingezoomd op het belang van die gelijke behandeling. Die wordt ook als enige expliciet genoemd. Ik begrijp dat tegen de achtergrond van een wettelijk ingestelde commissie die doorgeschoven wordt naar een nieuwe college. Dan moet je ook aangeven waar die wettelijke taken blijven en hoe ze onverkort overgaan. Ik begrijp dat dus wel, maar het wekt ondertussen wel de indruk dat het een Commissie Gelijke Behandeling-plus zou kunnen worden. En volgens mij is dat niet de bedoeling van de regering, in ieder geval niet de bedoeling van mijn fractie.

            Dat risico lopen wij ook een beetje als het gaat om de bezetting, de ondersteuning. De Commissie Gelijke Behandeling heeft negen leden, terwijl het maximumaantal collegeleden twaalf is. Ook de ondersteuning wordt niet substantieel uitgebreid, namelijk met niet meer dan acht fte. Dit terwijl wij te maken hebben met een hooggestemd doel, bescherming van en bevordering van de naleving van de rechten van de mens. Ik kwam ook ergens de formulering tegen: uiteindelijk is dit het college dat toe gaat zien op de menswaardigheid. Dat zijn nogal ambitieuze doelstellingen waarbij ook sprake is van een omvangrijk takenpakket: onderzoek, advies, beoordeling, aansporing, educatie en nationale en internationale samenwerking. Dat moet in essentie allemaal gebeuren door de mensen die nu de Commissie Gelijke Behandeling vormen en ondersteunen. De vraag is of dat reëel is. Ik vraag dat temeer omdat de regering weliswaar in antwoord op vragen van ook mijn fractie ontkent dat het vooral gaat om gelijke behandeling, maar zij wel het vrije mandaat geeft aan het college om zijn eigen prioriteiten te stellen.

Als de gelijke behandeling daar substantieel, zowel in personele zin als in taken, het hart van vormt en zij zelf de prioriteiten mogen stellen, vraag ik mij oprecht af wat er terechtkomt van de aandacht en het evenwicht in de aandacht voor die andere grondrechten of rechten van de mens.

 

De heer Van Raak (SP): Wij hebben nu de Commissie Gelijke Behandeling en we krijgen een College voor de rechten van de mens en daar zitten dan zo'n beetje dezelfde mensen in. Ik heb daar ook vraagtekens bij gezet, omdat het niet hetzelfde is, maar wel met dezelfde mensen. Zou het dan niet goed zijn om er een heel serieuze procedure voor te hebben? Als we een Nationale ombudsman benoemen, is daar een hele procedure voor. Bent u het met mij eens dat voor de bemensing van dat nieuwe instituut eigenlijk ook een nieuwe procedure zou moeten worden gevolgd?

 

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik ben daar nog niet helemaal van overtuigd. Ik heb gezien dat er ook amendementen in de week zijn gelegd, maar ik weet niet of deze al officieel zijn ingediend, over de benoemingsprocedure en de betrokkenheid van de Tweede Kamer daarbij. Ik heb daarnaar gekeken, maar ik heb er geen uitgesproken opvatting over of dit wel of niet zou moeten. Ik wil de loop van dit debat en de reactie van de minister afwachten, zodat ik weet wat de overwegingen waren om voor deze procedure te kiezen.

            Op zichzelf is het niet per se noodzakelijk. Als je een bestaand instituut dat zich bezighoudt met een mensenrecht, namelijk non-discriminatie of gelijke behandeling, laat opgaan in een nieuw instituut, hoef je geen procedure te hebben, met extra verzwaringen, maar dat kan wel. De Commissie Gelijke Behandeling is ingesteld bij de Algemene wet gelijke behandeling. Dit college wordt ook ingesteld bij wet en dan gaat dat andere instituut, de Commissie Gelijke Behandeling, daarin op. Op zichzelf volstaat dat wel. Het kan nodig worden gevonden door de wetgever om daar extra zware eisen aan te stellen. Dat zal dan vandaag blijken. Ik sta redelijk open in die discussie.

            Ik heb nog een paar vragen. Wat betreft de toegankelijkheid voor de burger is er ook sprake van dubbelheid. Aan de ene kant hebben we straks een kamer voor de gelijke behandeling, die ook oordelen uitspreekt in individuele klachtenzaken. Deze is wel toegankelijk voor de burger, maar dat geldt niet voor het brede terrein van de rechten van de mens. Hoe gaan we dat aan de mensen uitleggen? Zij denken dat er een college komt voor hun rechten. Als zij een zaak hebben die speelt, gaan zij naar dat college toe en dan krijgen zij te horen dat zij daar alleen met een klacht mogen komen als deze om gelijke behandeling gaat.

            De regering schrijft tegelijkertijd in de stukken dat gelijke behandeling eigenlijk een soort basis vormt van alle grondrechten. Dan wordt het wel ingewikkeld gemaakt. Dat betekent dat mensen altijd een titel hebben om op grond van een ander grondrecht daar binnen te komen, want de regering schrijft zelf dat er altijd het fundamentele recht op gelijke behandeling onder ligt. Ik denk dat de regering nog wel iets op te helderen heeft wat betreft de toegankelijkheid voor de burger; wie kan er wel of niet naartoe met een individuele klacht en op welke basis? Ik acht de minister er uitstekend toe in staat om dat te doen, dus ik leg hem die vraag met enige klem voor.

            Over het vrije mandaat van het college om zelf beleid te ontwikkelen en prioriteiten te stellen heb ik al iets gezegd. Hoe houden we dan balans in de aandacht voor de verschillende mensenrechten? Ik vind het wel van belang om expliciet in te gaan op de suggestie in de stukken, zoals op pag. 9 van de memorie van toelichting, dat het gelijkheidsbeginsel niet alleen een zelfstandig mensenrecht is, maar ook onlosmakelijk onderdeel is van alle andere mensenrechten. Ik citeer: "Het discriminatieverbod is dus zowel een zeer fundamentele constitutionele norm als een grondrecht dat alleen met veel inlevingsvermogen in de diversiteit van het leven kan worden gehandhaafd."

            Er wordt heel zwaar gesproken over het basale karakter van het gelijkheidsbeginsel. Ik zou het zeer waarderen als de minister hier herhaalt dat de opvatting van de grondwetgever is dat het feit dat het gelijkheidsbeginsel in artikel 1 van onze Grondwet is vervat, niet betekent dat dit een belangrijker, zwaarder of fundamenteler grondrecht is dan de andere grondrechten. Die indruk wordt wel gewekt met dit soort wat ronkende passages, vergeef mij de indrukking. Ik zou een reflectie van de minister op die passage op prijs stellen. De grondwetgever heeft met zoveel woorden uitgesproken dat alle grondrechten gelijk zijn en dat er geen hiërarchie in grondrechten is, en dat is nog steeds onze opvatting. Wij zijn als wetgever en ook als grondwetgever betrokken bij dat type uitspraken. Pag. 9 van de memorie van toelichting wijst echt een andere richting op.

            Ik steun de wijzigingen die in het wetsvoorstel zijn aangebracht om beter invulling te geven aan de Paris Principles. Dat was overigens al in het traject van de Raad van State. Ik leg de vraag over voldoende menskracht en tijd nog aan de minister voor. Zijn er voldoende mensen of moet er noodzakelijkerwijs worden gekozen in al die taken die worden opgesomd?

Ik denk dat een korte beschouwing van de minister over de oordelen en de precieze verhouding daarvan tot die van de Nationale ombudsman wel behulpzaam zou kunnen zijn: hoe weten mensen waar ze terecht kunnen?

Ik wil nog een laatste punt noemen, dat mijn fractie in de schriftelijke voorbereiding niet heeft ingebracht, maar dat mij later zwaar is gaan wegen. Het gaat om artikel 7, de bevoegdheid van het college om plaatsen te betreden. Ik vroeg mij af hoe die zich gaat verhouden tot het totale takenpakket van het college. Je zou kunnen zeggen dat ze voortkomt uit de algemene wet gelijke behandeling. Als ik het goed heb -- want ik improviseer nu -- moet de Commissie Gelijke Behandeling deze bevoegdheid hebben omdat ze klachten moet behandelen, maar het college in zijn nieuwe vorm kan meer doen dan alleen maar gelijkebehandelingsklachten. Krijgt het college nu die taak en bevoegdheid om allerlei plaatsen te betreden? Zo ja, waartoe dient deze? Misschien kan ik mijn vraag het kortst zo stellen: kan de minister mij een casus schetsen waarin het nodig zou zijn dat van deze bevoegdheid wordt gebruikgemaakt? Ik zie het namelijk niet voor me, zo'n college dat adviseert, onderzoek doet, internationale contacten en samenwerking bevordert en een aanspreekpunt is; in wat voor casus zou dit college, anders dan voor gelijkebehandelingsklachten, allerlei besloten plaatsen moeten kunnen betreden, anders dan een woning zonder toestemming van de bewoners?

Labels
André Rouvoet
Bijdragen

« Terug

Archief > 2011 > maart