Bijdrage Arie Slob Algemeen Overleg Thuisonderwijs

donderdag 31 maart 2011 15:00

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Ik vervang mijn collega Voordewind, die met de artikel 100-procedure en Libië bezig is. Het voelt voor mij een beetje als thuiskomen in de moeder der commissies, zoals een van de voorzitters voorgangers eens heeft gezegd. Het gaat ook nog over het onderwerp thuisonderwijs, dus dat past helemaal.

In Nederland kennen wij geen recht op thuisonderwijs meer sinds 1969, toen de leerplichtwet werd ingevoerd. Wij weten dat het volgen van thuisonderwijs geen grond is voor vrijstelling van de leerplichtwet. De wet kent zelfs niet eens thuisonderwijs en stelt er dus ook geen eisen aan. Er zijn mogelijkheden dat ouders als er heel specifieke redenen voor zijn -- deze worden in de wet genoemd -- ontheffing van de leerplicht voor hun kinderen kunnen krijgen. Als wij kijken naar de cijfers, zien wij dat er op het grote aantal leerlingen dat scholen bezoekt slechts een heel beperkt aantal leerlingen is dat niet naar school gaat. Uit onderzoeken weten wij, dat zij dan wel thuisonderwijs krijgen, al is dat dan niet in de wet geregeld. Wij hebben van de minister ook resultaten van een onderzoek gekregen. Het is niet het eerste onderzoek; er zijn vaker dat soort onderzoeken gedaan. Bij brief van 13 december vorig jaar heeft de minister aangegeven wat de praktijk is en dat er in principe geen problemen zijn. Haar conclusie was dat er geen enkele reden was om onze regelgeving aan te passen. Dat heeft de steun van de fractie van de ChristenUnie. Wij vinden dat ouders de ruimte moeten hebben en houden om een beroep te doen op de wettelijke mogelijkheden die er zijn om hun kind niet naar school te sturen. Ik zie geen enkele reden om daar nu opeens van af te wijken. Ik hoorde mijn rechter buurman net zeggen dat hij angst had voor misbruik van deze regeling. Als er misbruik is, moeten wij het misbruik en niet deze mogelijkheden aanpakken. Ik ken dergelijke voorbeelden trouwens niet. Wij zijn het dus eens met de minister.

Ik moet wel zeggen dat wij even onze wenkbrauwen hebben gefronst, toen het er op grond van de beantwoording van de gestelde Kamervragen op leek dat de minister met een terugtrekkende beweging bezig was. Daarop duidde vooral het laatste zinnetje van de beantwoording van de Kamervragen, waarin zij aangaf dat zij zich zou beraden op de opportuniteit van de vrijstellingsgrond en ons daarover in het najaar zou informeren. Vanwaar deze wijziging ten opzichte van het eerdere, heldere standpunt van de minister, dat de steun van de ChristenUnie heeft en houdt? Wat gaat de minister nu precies onderzoeken? Dat zijn vragen die wij hebben. Nogmaals: wij zien er niet echt een aanleiding voor. Ik weet dat de situatie in Amsterdam de nodige reuring heeft veroorzaakt. Wat daar is gebeurd, is een heel mooi voorbeeld van de wijze waarop het zou moeten gaan. Toen ouders zeiden dat zij een beroep wilden doen op de vrijstellingsregeling, is een wethouder, waarschijnlijk met zijn leerplichtambtenaren, met hen in gesprek gegaan. Als de berichten kloppen -- ik vraag de minister of dit zo is -- zijn er nu nog vijf ouders over van wie het nog niet helemaal helder is of zij hun kind alsnog naar een school zullen sturen.

Wij moeten ervoor zorgen dat wij niet één situatie heel erg uitvergroten en zo groot maken dat wij allerlei bewegingen gaan maken om een wet aan te passen, die al ruim 40 jaar functioneert. Er is ook helemaal geen aanleiding toe om daartegen nu bezwaar te maken. Er kan wel een aanleiding zijn, maar die is dan niet direct; dan zit er een ideologische kwestie achter. Die indruk heb ik wel als ik sommige voorstanders van met name het schrappen van artikel 5b hoor: bijvoorbeeld het idee dat kinderen onverkort naar de openbare school moeten, of een heel duidelijke wens dat iedereen maar op een school moet zitten. Wij zien dat als een inperking van de keuzevrijheid van ouders. Nogmaals: het gaat om een heel beperkte groep. Laten wij deze mogelijkheid behouden voor deze groep, die daar op een goede manier, met heel veel liefde voor hun kinderen, invulling aan geeft. Deze kinderen komen in het leven goed terecht. Daar kunnen volgens mij een aantal mensen op de publieke tribune van getuigen. Ook persoonlijk ken ik een aantal mensen die op deze wijze zijn grootgebracht en onderwijs hebben gekregen. Kortom: wij zien geen enkele reden om de zaak nu te veranderen. Wij willen de status-quo handhaven. Ik hoop dat de minister naar dat standpunt terugkeert. De situatie in Amsterdam is voor ons in ieder geval geen aanleiding om opeens heel wilde bewegingen te gaan maken.

 

De heer Elias (VVD): Ik haak aan bij het punt dat de heer Slob in zijn laatste zin samenvatte. Baart het hem dan geen zorgen dat een wethouder van een grote stad, die toch warempel wel iets beters te doen heeft, bijna individueel met die 90 ouders moet gaan praten om ervoor te zorgen dat dit probleem wordt getackeld? Dat baart mij wel zorgen. De heer Slob zegt dat hij dat soort vormen van misbruik niet kent en dat het in de praktijk allemaal wel meevalt. Ik vind echter dat er vanwege dat soort incidenten wel degelijk aanleiding is, niet om het principe ter discussie te stellen, maar wel om te kijken naar wat er in de praktijk gebeurt. Daar moet de heer Slob naar mijn mening niet zo nonchalant overheen stappen.

 

De heer Slob (ChristenUnie): Ik stap er helemaal niet nonchalant overheen. Ik wil zelfs die wethouder en zijn ambtenaren -- hij zal dat waarschijnlijk niet allemaal persoonlijk hebben gedaan -- een groot compliment geven. Op een bepaald moment ontstond in de stad enige commotie omdat een school van een bepaalde richting dichtging, zodat leerlingen daar niet meer heen konden. Dat is niet zo maar iets. Ik complimenteer de wethouder ermee dat hij dan in gesprek gaat met de ouders die bij wijze van spreken met hun kinderen onder de arm denken: wat moeten we nu doen? Zij zien geen andere mogelijkheid dan bijvoorbeeld het doen van een beroep op dit wetsartikel. Als de uitkomst is dat het overgrote deel van die ouders hun kinderen alsnog naar een andere school stuurt in de stad, waar natuurlijk ook heel veel aanbod is, vind ik dat een heel goede zaak. Ik vind dat geen aanleiding om een wetsartikel dat al meer dan 40 jaar goed functioneert, opeens aan te passen en allerlei bewegingen te maken waar ook nog eens een ideologische lading betreffende artikel 5b onder zit. Daar doen wij niet aan mee.

 

De heer Elias (VVD): Wat doen we dan met die laatste tien?

 

De heer Slob (ChristenUnie): Ik heb begrepen dat het om vijf mensen gaat. Als deze ouders een beroep doen op dit artikel, moeten zij een inkennisstelling sturen naar het college van burgemeester en wethouders. Als het college de argumentatie daarachter niet vertrouwt, weten we hoe dat gaat. Dat zou uiteindelijk bij de rechter kunnen eindigen. Dat klopt. Daarvan hebben we ook voorbeelden. Er zijn situaties bekend waarin een college de argumentatie niet vertrouwde, maar de rechter de ouders toch in het gelijk stelde en zij een beroep mochten doen op dat artikel. Dat is een aantal jaren geleden gebeurd. Het is ook in de Kamer aan de orde geweest. De heer Van der Vlies heeft daarover toen Kamervragen gesteld. Zo hoort het te gaan in ons land. Dat hebben we heel ordentelijk geregeld.

 

Labels
Arie Slob
Bijdragen

« Terug

Archief > 2011 > maart