Inbreng Esmé Wiegman inz. Wijziging Crisis- en herstelwet ivm permanent maken Crisis- en herstelwet.

woensdag 21 maart 2012 00:00

Inbreng verslag (wetsvoorstel) van ChristenUnie Tweede Kamerlid Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink Wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht.

Onderwerp:   Wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht

Kamerstuk:   33 135

Datum:            21 maart 2012

Inleiding

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover de volgende vragen.

Algemene beschouwing

Genoemde leden constateren dat na het advies van de Raad van State het wetsvoorstel fors is aangepast. Deze leden vinden dit een verstandige keuze gezien het komende traject om te komen tot een integrale omgevingswet. Er zijn de afgelopen jaren erg veel wijzigingen geweest in het omgevingsrecht en een groot aantal nieuwe wijzigingen zou een onverantwoord grote druk leggen op de uitvoering bij gemeenten en op de rechtspraktijk

Vanuit dit kader beschouwen deze leden ook het resterende wetsvoorstel. De Crisis en Herstelwet is nog geldig tot en met 1 januari 2014. Het voorstel om deze wet voor onbepaalde tijd te verlengen komt wat betreft genoemde leden daarom erg vroeg. De wet is nog maar zo kort in gebruik dat er nog onvoldoende zicht is op de resultaten. Uit diverse onderzoeken blijkt ook dat de Crisis en Herstelwet nog relatief weinig wordt gebruikt en er mede hierdoor ook nog weinig jurisprudentie is. Ook moet de definitieve evaluatie van de wet nog verschijnen. Genoemde leden wijzen ook op de Aanwijzing voor de regelgeving  artikel 6, 7 en 10 waarin staat dat tot nieuwe regelingen alleen wordt besloten, indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan en dat gestreefd wordt naar duidelijkheid en eenvoud van regelingen en naar een bestendig karakter daarvan.

Het wetsvoorstel beoogt niet alleen de geldigheid van de Crisis- en Herstelwet voor onbepaalde tijd te verlengen, maar voegt hier ook enkele quick-wins aan toe. De meeste van deze quick-wins hebben echter geen betrekking op de crisis- en herstelwet maar op andere wetten op het terrein van het omgevingsrecht. De quick wins kunnen leiden tot extra uitvoeringsproblemen. Genoemde leden vragen daarom waarom de quick wins niet zijn meegenomen in de nieuwe omgevingswet. Gesteld wordt dat de effecten van de quick wins na een evaluatie input kunnen zijn voor de Omgevingswet. Hoe snel wil de regering deze quick-wins dan wel niet evalueren, vragen genoemde leden, en is dit realistisch?

Genoemde leden begrijpen wel de behoefte om de Crisis- en Herstelwet te verlengen, maar vragen waarom er gekozen is voor het verlengen met onbepaalde tijd waarbij de wet bij Koninklijk Besluit kan worden ingetrokken. Juist gezien het tijdelijke karakter van de bepalingen licht het volgens genoemde leden meer voor de hand om te kiezen voor het verlengen met een vastgesteld beperkt aantal jaren. Meer is volgens genoemde leden ook niet nodig gezien de komst van de nieuwe omgevingswet.

Voor deze leden is het ook geen vanzelfsprekendheid dat alle bepalingen in de Crisis- en Herstelwet straks integraal terugkomen in de nieuwe omgevingswet. Volgens deze leden zijn sommige bepalingen uit de Crisis- en Herstelwet alleen gerechtvaardigd als zij een tijdelijk karakter hebben. Zij onderschrijven dan ook de mening van de Raad van State dat er wel degelijk een probleemanalyse noodzakelijk is wanneer bepalingen (semi) permanent worden gemaakt en vragen daarom alsnog om deze analyse. Louter de constatering dat de uitvoeringspraktijk baat zal hebben bij versnelling van processen is hiervoor volgens genoemde leden onvoldoende.

In de nieuwe omgevingswet dient er sprake te zijn van een goede balans tussen economische structuurversterking, bescherming van natuur en milieu, waarborgen voor belanghebbenden en een goede borging van de politieke besluitvorming. Genoemde leden hebben in dit kader zorgen aangaande de voorstellen die nu verdwenen zijn uit het wetsvoorstel omdat deze mogelijk terugkomen in de nieuwe omgevingswet. Over deze voorstellen zijn veel vragen gesteld door de Raad van State. Deze leden vinden het van belang dat de nieuwe omgevingswet kan borgen op een groot maatschappelijk draagvlak en roepen de regering op bij het opstellen van de nieuwe omgevingswet ter degen rekening te houden met de bezwaren die in het kader van voorliggend wetsvoorstel zijn geuit door de Raad van State.

Ook vinden genoemde leden het jammer dat opnieuw alleen de nadruk ligt op wetgeving terwijl vertragingen vaak juist worden veroorzaakt door problemen die meer liggen in de uitvoering zoals onvoldoende kennis.

Genoemde leden krijgen de indruk dat met dit wetsvoorstel meerdere aangenomen amendementen op de oorspronkelijke crisis- en herstelwet worden teruggedraaid. Zij vragen daarom een overzicht van alle aangenomen amendementen waarbij wordt aangegeven in hoeverre zij na aanname van voorliggend wetsvoorstel nog onderdeel zijn van de wet.

Tijdens het rondetafel gesprek is de vraag opgeworpen of de Crisis en Herstelwet wel voldoende aansluit op recente wetenschappelijke visies op complexe vastgoed- en gebiedsontwikkelingen. In deze eigentijdse benadering staat vooral het handelen in onzekerheid centraal, het denken in alternatieven, het toepassen van adaptief management en het inspelen op omgevingsfactoren en context. Genoemde leden hebben daarom zorgen over de focus op versnelling van procedures en op een voorkeursbesluit. Doel van Elverding was niet alleen sneller, maar ook beter. Genoemde leden pleiten ervoor in de nieuwe omgevingswet dit “beter” veel sterker naar voren te laten komen door ruimte te bieden voor flexibiliteit, resilience, redundantie en optiewaarde. Een MKBA kan daarbij ondersteunend zijn. Zij vragen of de regering dit uitgangspunt deelt.

Houdbaarheidsbepalingen

In het wetsvoorstel wordt voorgesteld een aantal houdbaarheidsbepalingen in het ruimtelijk domein en het omgevingsrecht uit te breiden. Genoemde leden steunen het principe maar hebben vragen bij de uitwerking. Zij constateren dat hier sprake is van een kan-bepaling. Deze leden constateren dat het bevoegd gezag hiermee kan kiezen om actuele gegevens te gebruiken of gegevens die maximaal 2 jaar oud zijn of oudere gegevens mits gemotiveerd. Volgens de memorie van toelichting kan de keuze voor gegevens die maximaal 2 jaar oud zijn echter niet willekeurig zijn. Genoemde leden vragen hoe dit dan gemotiveerd moet worden en of dit niet zal leiden tot de behoefte aan jurisprudentie op dit punt. Genoemde leden wijzen er op dat niet alleen het tijdstip van gegevens bepalend kan zijn maar ook de mate waarin ontwikkeling in het gebied zijn meegenomen zoals bij een infrastructuurproject de (mogelijke) realisatie van een ander infrastructuurproject in de omgeving. Deze leden geven in overweging om in lagere regelgeving nadere criteria op te stellen voor de houdbaarheid van gegevens en het te beschouwen gebied, en mogelijk ook over de te gebruiken (verkeersmodellen) en datasets zodat er meer duidelijkheid ontstaat.

Genoemde leden constateren dat de ernst van de problematiek van de houdbaarheid van gegevens volgens de Raad van Staten niet overtuigend is aangetoond. In het nader rapport wordt hierbij alleen verwezen naar jurisprudentie maar dit zegt volgens genoemde leden nog niets over de ernst van de problematiek. Zij vragen daarom om een nadere onderbouwing op dit punt.

Milieueffectrapport

Genoemde leden hebben zorgen over het permanent worden van artikel 1.11 (en artikel 2.18) van de crisis en herstelwet over het milieueffectrapport. Dit artikel was bedoeld om de onderzoekslast voor een beperkt aantal projecten in Bijlage II van de wet te verlichten. Genoemde leden constateren dat plaatsing op Bijlage II vaak om andere redenen is gebeurd dan om artikel 1.11. Immers voor veel projecten was er reeds een MER uitgevoerd. Door artikel 1.11. nu permanent te maken en nieuwe projecten te blijven toevoegen aan Bijlage II is het neveneffect voor de praktijk en de (rechts)onzekerheid die voor partijen ontstaat echter groot. Voor deze projecten kunnen belangrijke alternatieven gemist worden en vindt bovendien niet verplicht een toetsing van het project-milieueffectrapport door de Commissie m.e.r. plaats.

Genoemde leden vragen om een reactie op de kritiek van de Commissie m.e.r. dat alleen een schets van de voornaamste alternatieven die de initiatiefnemer heeft onderzocht nog steeds in strijd is met (de gedachte van) de Europese M.e.r.-richtlijn omdat hiermee reële alternatieven waarop inspraak mogelijk is, buiten beeld kunnen blijven. Zij wijzen daarbij op het project IJsseldelta waar juist op grond van de MER nader onderzoek naar alternatieven nodig bleek. Bij de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente gaat het juist om het onderzoek naar alternatieven. Hier biedt de MER de borging voor de Elverding aanpak maar is door toepassing van artikel 1.11 deze brede MER niet meer verplicht.  Ook wijzen deze leden op de IJzeren Rijn. Door dit op Bijlage II te plaatsten wordt er bij voorbaat van uitgeegaan dat de verouderde informatie uit de MER van 2001 nog steeds actueel is. Deze leden vragen of de regering de mening deelt dat dit een te snelle conclusie is, alleen al gezien de veranderde bescherming van Natura2000-gebieden sinds 2001. Deelt de regering de mening dat onafhankelijke toetsing bij de actualiteitstoets van dit project noodzakelijk is juist omdat dit bij uitstek een complex project is als bedoeld in de modernisering van de m.e.r.

Genoemde leden vinden dat er niet vooruitgelopen moet worden op een integrale herziening ten aanzien van de MER binnen de nieuwe omgevingswet. Zij wijzen er ook op dat de Richtlijn inzake industriële emissies die de IPPC vervangt juist een gedegen alternatieven onderzoek verlangt. Zit hier niet een innerlijke tegenstrijdigheid in het wetsvoorstel, zo vragen deze leden?

Genoemde leden vragen daarom om een reactie op het voorstel om de werking van bijlage II voor wat betreft artikel 1.11 te sluiten per 1 januari 2014. Dit kan volgens genoemde leden door een aanvulling op artikel 1.1, tweede lid door hier aan toe te voegen dat afdeling 3 van toepassing is op de tot uiterlijk op 31 december 2013 op de in bijlage I van deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten en op de hiervoor genoemde datum krachtens artikel 2.18 aangewezen projecten. Dit heeft volgens genoemde leden nauwelijks invloed op het andere doel van de crisis- en herstelwet namelijk versnelling van procedures. Uit de evaluatie die verricht is in opdracht van het ministerie blijkt immers dat de verlichting van de m.e.r.-procedure slechts in een beperkt aantal projecten tijdwinst oplevert. De tijdwinst van bijlage II zit met name in andere maatregeln uit de wet.

Deze leden vragen ook waarom het opschrift van Bijlage II wordt veranderd in “overige ruimtelijke projecten “ waarbij dus het “nationale belang” wordt geschrapt. Genoemde leden vragen waarom dit selectiecriterium wordt losgelaten. Genoemde leden hebben de indruk dat hiermee de uitzondering van de Crisis- en Herstelwet eerder de regel wordt en dat dit meer thuishoort in de discussie over de nieuwe omgevingswet.

Afwijkingsbesluiten

Genoemde leden constateren dat ook een tijdelijke afwijking van 10 jaar grote invloed kan hebben op de fysieke omgeving. Nu dit niet langer de uitgebreide procedure zal doorlopen met participatiemogelijkheden hebben genoemde leden de indruk dat er een strijdigheid ontstaat met Elverding. De Elverding aanpak is namelijk volgens deze leden onmogelijk als het bestuursorgaan slechts 8 weken beslistermijn heeft. Bovendien is er een risico dat een dergelijk groot afwijkingsbesluit, dat mogelijk ook zonder m.e.r. wordt genomen, na verloop van deze termijn van rechtswege ontstaat. Genoemde leden vragen nader in te gaan op de geschetste problematiek ook in het licht van de Europese regelgeving ter zake.

Genoemde leden vrezen dat het stimuleren van projectbesluitvorming via een afwijkingsbesluit er toe zal leiden dat een strategische afweging op plan-m.e.r. niveau achterwege blijft. Genoemde leden vrragen of serieuze locatiealternatieven dan nog wel de revue zullen passeren.

Natuur

Doordat plannen met de aanpassing van artikel 19kd buiten de passende beoordeling zullen blijven, zullen ze daarmee ook niet onderhevig zijn aan een strategisch m.e.r. Hiermee zullen ook plannen buiten het normale m.e.r.–stelsel blijven die bij uitstek onder complexe projecten zijn te scharen. Genoemde leden hebben de indruk dat hiermee projecten denkbaar zijn die en geen strategisch m.e.r. doorlopen en waarvoor op projectniveau geen alternatievenonderzoek plaatsvindt en ook geen toetsing van de Commissie m.e.r. Zij vragen dit nader te onderbouwen aangezien in deze gevallen er dus ook geen onderbouwing meer zal zijn dat geen aantasting van Natura2000 gebieden plaatsvindt. Past dit wel binnen Europees recht, zo vragen deze leden? Volgens genoemde leden kan dit tot extra problemen leiden omdat bij plannen in tegenstelling tot één concreet project (veehouderij B neemt depositie over van veehouderij A) nog lang niet bekend is of voor alle ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt, saldering mogelijk is.

Evaluatie experimenten (hoofdstuk 1 onderdeel E)

Voorgesteld wordt de evaluatie van experimenten te laten vervallen. Omdat experimenten tien jaar duren zou het eerste experiment pas rond 2020 zijn. Genoemde leden onderschrijven dat eerder inzicht nodig is door tussentijdse evaluaties maar dit is geen argument om de eindevaluatie te schrappen. Volgens genoemde leden moet gewaarborgd blijven dat in de experimenteergebieden over 10 jaar uiteindelijk aan de normen wordt voldaan. Om dit te toetsen is een evaluatie noodzakelijk. Genoemde leden vragen daarom de formeel wettelijke evaluatie voor de experimenten te handhaven.

Milieu- en Natuurbalans (artikel 2.1.9 onderdeel A en artikel 2.1.2 onderdeel B)

In het wetsvoorstel vervalt de verplichting voor het omstellen van een jaarlijkse milieu- en natuurbalans (thans: balans voor de leefomgeving). Genoemde leden vinden dit een verarming. Zij zouden graag een jaarlijkse balans handhaven.

Verlaten van de grondslag van de aanvraag (artikel 2.3.1)

Indien de ambtshalve wijziging van de vergunning bij wijze van uitzondering niet leidt tot een andere inrichting, wordt de beschikking voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure van paragraaf 3.2 Wabo). Genoemde leden vragen of hier niet een discussie kan ontstaan over de te volgen procedure. Is in alle gevallen onomstotelijk duidelijk of een wijziging van een vergunning wel of niet leidt tot een andere inrichting?

Planschade (artikel 2.3.3 onderdeel C)

In het wetsvoorstel wordt voorgesteld de beoordeling van planschade pas plaats te laten vinden zodra de bevoegdheid tot uitwerking van een bestemmingsplan dan wel dit plan te wijzigen, dan wel bij omgevingsvergunning ervan af te wijken of om nadere eisen te stellen wordt gebruikt. Genoemde leden begrijpen de overweging om dit op dit moment pas te doen omdat dan pas duidelijk is of de bevoegdheid daadwerkelijk wordt gebruikt en hoe groot de planschade daadwerkelijk is. Genoemde leden constateren echter dat er tussen het moment van vaststellen van het bestemmingsplan en gebruiken van één van de genoemde bevoegdheden enkele jaren kan zitten. Het gevolg is dat degene die planschade heeft langere tijd in onzekerheid is. Dit kan problemen geven bij verkoop van het bezit omdat dan grond en opstallen mogelijk tegen een lagere waarde moeten worden verkocht omdat de nieuwe eigenaar dan niet weet of en hoeveel planschade deze zal krijgen. Deze leden vragen daarom een nadere onderbouwing van het voorstel. Zij missen een duidelijke probleemanalyse. Om hoeveel gevallen gaat het per jaar en om hoeveel geld gaat het bij benadering? Wegen de voordelen van het voorstel wel voldoende op tegen de onzekerheid die het oplevert voor de betrokkenen?

Luchtvaartwet (artikel 2.3.2 onderdeel B onder 2)

Voorgesteld wordt om binnen de grenswaarde aparte ruimte te reserveren voor vluchten ten behoeve van spoedeisende hulpverlening en politietaken. Uiteraard steunen genoemde leden dit. Tegelijkertijd wordt het echter mogelijk de grenswaarde te overschrijden als dit nodig is voor genoemde taken. Genoemde leden onderschrijven ook dat dit nodig kan zijn, maar vragen hoe wordt voorkomen dat er te weinig ruimte wordt gereserveerd voor genoemde taken en de uitzondering om de grenswaarde te overschrijden toch de regel wordt? Genoemde leden vragen welke waarborgen worden geboden om dit te voorkomen. Zij stellen voor om in geval van structurele overschrijding op grond van het nieuw voorgestelde lid voor artikel 8.45 (bijvoorbeeld 2 jaren achter elkaar een overschrijding) de plicht op te nemen dat de exclusieve ruimte binnen de grenswaarde voor vluchten voor spoedeisende hulp en politie wordt uitgebreid.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

 

 

 

 

 


Labels
Bijdragen
Esmé Wiegman

« Terug

Archief > 2012 > maart