Inbreng Cynthia Ortega inzake Instelling algemeen verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding

donderdag 22 maart 2012 00:00

Inbreng verslag (wetsvoorstel) van ChristenUnie Tweede Kamerlid Cynthia Ortega-Martijn inzake Instelling van een algemeen verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding.

Onderwerp:   Instelling van een algemeen verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding

Kamerstuk:   33 165

Datum:            22 maart 2012

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met verbazing kennisgenomen van het wetsvoorstel dat beoogt een algemeen verbod in te stellen op het dragen van gelaatsbedekkende kleding. Deze leden vragen zich af waarom de regering het uitgangspunt heeft losgelaten dat een verbod slechts op haar plaats is daar waar de openbare orde, veiligheid en functionaliteit in het geding is. Voorts vragen deze leden zich af, of met deze keuze het doel niet juist wordt voorbijgeschoten. Deze leden vragen de regering inzichtelijk te maken waarom zij het advies van de Raad van State, namelijk om het wetsvoorstel niet te zenden aan de Tweede Kamer, negeert.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hechten aan een zorgvuldige en doorwrochte afweging daar waar het een botsing en/of een beperking van een grondrecht betreft. Een dergelijke zorgvuldigheid doet niet alleen recht aan het fundamentele karakter van deze vrijheden maar ook aan de historische ontwikkeling die hieraan de bakermat heeft gestaan.  Deze leden constateren dat het onderhavig wetsvoorstel inderdaad een beperking oplegt aan een grondrecht, namelijk de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Ook de leden van de ChristenUnie onderkennen dat geen enkel grondrecht, inclusief de vrijheid van godsdienst, een absoluut recht is, welke niet onderhevig kan zijn aan beperkingen. Steeds dient de vrijheid van het ene grondrecht in relatie te worden gezien met het geheel van de grondrechten en met de grondrechten en vrijheden van anderen. Daarnaast brengen zij de regering graag in herinnering dat in elk geval de klassieke vrijheden, zoals de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, een tweeledige bescherming behelst. Aan de ene kant beschermen zij de burgers, in casu de gelovigen, of mensen met een bepaalde levensovertuiging, tegen ongeoorloofde inmenging van de overheid. Er is ook een andere kant: grondrechten en vrijheden moeten in de samenleving verwerkelijkt kunnen worden. Dat kan alleen als burgers ook elkaar hun vrijheden gunnen. Deze horizontale werking geeft beperkingen aan de mate waarin en de wijze waarop gelovigen of groepen met een bepaalde levensovertuiging binnen de eigen groep drang kunnen uitoefenen opdat leden van de groep handelen overeenkomstig die levensovertuiging. De vrijheid om als groep overeenkomstig je overtuiging te leven kan dus botsen met de vrijheid om als individu uiting te geven aan wat je ten diepste drijft.

Hiermee willen deze leden aangeven dat zij een spanning ervaren tussen het enerzijds vrijelijk kunnen uitoefenen van een godsdienst, zelfs wanneer dit leidt tot uitingen die kunnen rekenen op een grote maatschappelijke weerstand, en anderzijds het belang om dwang, ook in godsdienstig verband, te willen voorkomen. Anders gezegd: voor de overheid is het bepaald  niet makkelijk en in de meeste gevallen zelfs ongewenst om in die botsing tussen individuele en groepsvrijheden te interveniëren. Daar moet wel een hele goede reden toe zijn (zoals overtreding van de strafwet) en de wijze waarop zal zorgvuldig gekozen moeten worden. De leden van de ChristenUnie-fractie zien vooralsnog niet dat het onderhavig wetsvoorstel recht doet aan deze principiële overwegingen. Er is geen sprake van een evenwichtige afwijzing van groepsvrijheden en individuele vrijheden. Er is geen sprake van een zorgvuldige beperking op de godsdienstvrijheid daar het voorstel niet op afgewogen wijze in relatie is gebracht met de erkende beperkinggronden als openbare orde, veiligheid of functionaliteit. Voorts is de proportionaliteitsvraag zwak beantwoord. Tenslotte is niet voldoende overwogen of de gekozen beperking de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging niet in de kern aan tast.

In het navolgende gaan de leden van de ChristenUnie-fractie op deze aspecten verder in.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in een heldere visie uiteen te zetten hoe het normeren van gedrag op openbare plekken, zoals het dragen van bepaalde kleding, zich verhoudt tot de taak van de overheid, zeker in het geval de zorg voor de openbare orde niet direct in het geding is. Deze leden vragen de regering ook helderheid te verschaffen waarom zij het kennelijk tot de taak van de overheid beschouwt om wetgeving in te dienen die een ‘unheimisch’ gevoel moet voorkomen. Deze leden vragen, in navolging van de Raad van State, waarom de regering specifiek kiest voor een algemeen verbod en niet voor een middel van specifieke, plaats- en functiegebonden verboden op gelaatsbedekkende kleding, conform de plannen van het vorige kabinet. De leden vragen de regering bovendien hoe het onderhavig wetsvoorstel zich verhoudt tot Aanwijzing 6, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin is vastgelegd dat nieuwe regelingen alleen tot stand worden gebracht indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan. Voorts verzoeken deze leden de regering ook helderheid te verschaffen over de vraag of maatschappelijke weerstand op zichzelf voldoende reden is voor het indienen van een wetsvoorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie onderkennen de noodzaak tot de bescherming van bijvoorbeeld vrouwen tegen groepsdruk in het algemeen. Maar vragen de regering uit een te zetten op welke wijze het onderhavige wetsvoorstel bijdraagt aan de bescherming van deze vrouwen die niet uit eigen overtuiging een boerka of niqab dragen. Immers indien er sprake is van dwang mogen zij niet meer over straat, daarom vragen de leden de regering in dit kader aan te geven hoe het huidig wetsvoorstel bevordert dat deze vrouwen niet verder in een sociaal isolement terechtkomen en op welke manier hun rechten beschermd worden. Ook vragen de leden van de ChristenUnie-fractie de regering te onderbouwen hoe een strafrechtelijke sanctie voor de drager van gelaatsbedekkende kleding zich verhoudt tot de doelstelling om vrouwen te beschermen die gedwongen worden dergelijke kledij te dragen. Deze leden vragen de regering uiteen te zetten of er voorbeelden te geven zijn waarbij er duidelijk sprake was van dwang. Deze leden vragen in dit verband de regering of, en zo ja in hoeverre, het wetsvoorstel bijdraagt aan het wegnemen van deze dwang. 

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering met een heldere juridische onderbouwing te komen waarin wordt bezien of, en zo ja op welke wijze, de bestaande bevoegdheden op grond van de Gemeentewet, de Wet openbare manifestaties, de Wet op de identificatieplicht en de Wet personenvervoer, en de bevoegdheden van publieke en private organisaties om binnen de eigen sfeer beperkende huisregels te stellen tekortschieten, waardoor een algemeen verbod op gelaatsbedekkende kleding noodzakelijk is. Deze leden vragen de regering met duidelijke voorbeelden te komen die aantonen dat deze bevoegdheden tekort zijn geschoten. Zijn er voorbeelden dat dit tot concrete problemen leidde, bijvoorbeeld doordat de identificatie werd bemoeilijkt of anderszins?

In de memorie van toelichting zegt de regering van mening te zijn dat de onderhavige maatregel, voor zover zij een inbreuk op deze rechten zou opleveren in het licht van deze bepalingen, te rechtvaardigen is. De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat het verbod de godsdienstvrijheid beperkt. Deze leden vragen de regering te onderbouwen waarom zij vindt dat de introductie van een algemeen verbod op gelaatsbedekkende kleding gedragen als uitingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen een beperking van de vrijheid van godsdienst in de kern mag aantasten.

Kan de regering onderbouwen hoe haar overtuiging dat een algemeen verbod noodzakelijk is in een democratische samenleving, conform de eis van artikel 9, tweede lid, van het EVRM, zich verhoudt tot het feit dat een algemeen verbod zich niet beperkt tot een verbod in bepaalde situaties voor specifieke doeleinden. Diezelfde vraag stellen deze leden met betrekking tot de proportionaliteitstoets.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering inzichtelijk te maken hoe de beperking van artikel 9, tweede lid, van het EVRM die dit wetsvoorstel met zich mee brengt, zich verhoudt met de eis van het EHRM dat een dergelijke beperking overeen moet komen met een “pressing social need” en dat deze “proportionate to the legitimate aim pursued” moet zijn (zie bijvoorbeeld the Wingrove v. the United Kingdom judgment of 25 November 1996, Reports 1996-V, p. 1956, par. 53).  Deze leden vragen de regering inzichtelijk te maken of de beoordelingsvrijheid die haar toekomt in de afweging of een inperking op de vrijheid van godsdienst gerechtvaardigd is, dermate groot is dat zij ook een algemeen verbod behelst. Deze leden vragen in het bijzonder aan de regering om te komen met uitspraken van het EHRM naar aanleiding van burkaverboden in andere landen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering om te komen met een nadere onderbouwing op haar stelling dat het beschermen van de openbare orde, welke conform artikel 9, tweede lid, van het EVRM, een beperking op de godsdienstvrijheid rechtvaardigt, zo ruim opgevat dient te worden dat zij ook een algemeen verbod op gelaatsbedekkende kleding omvat. Deze leden vragen de regering in dit verband of er jurisprudentie is waaruit af te leiden valt dat een dergelijk algemene verbod houdbaar is in het licht van de burgerlijke en politieke vrijheden zoals gegarandeerd door het EVRM en het Bupo-verdrag. Deze leden vragen de regering voorts haar stelling te onderbouwen dat het dragen van boerka’s en/of niqabs in voorkomende gevallen gebeurt met het oog op het verrichten van strafbare gedragingen. Deze leden vragen de regering te komen met statistieken en voorbeelden die deze stelling onderbouwen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering inzichtelijk te maken of er, naast het dragen van gelaatsbedekkende kleding, ook andere wijzen zijn waarop burgers zich voor elkaar verbergen en daarmee twijfel wekken over de aard van hun bedoelingen. Deze leden vragen zich in dit verband af of de regering voornemens is ook voor deze gedragingen normatieve kaders te stellen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering waarom er is gekozen van een aparte wet en bijvoorbeeld niet voor het toevoegen van een artikel aan het wetboek van strafrecht.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

 

 

 


Labels
Bijdragen
Cynthia Ortega

« Terug

Archief > 2012 > maart